Auteur: Marten Muskee – 22/06/2012
Eén op de drie gemeenten krijgt tot 2030 te maken met een bevolkingskrimp van 2,5 procent of meer, zo voorspelt het CBS. De bevolking zal vooral krimpen in de landelijke gemeenten. De regio’s Noordoost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Parkstad Limburg worden daar nu al mee geconfronteerd. Daarnaast verandert de bevolkingssamenstelling. Het aantal kinderen neemt af, het aantal ouderen neemt toe en de beroepsbevolking daalt. Scholen moeten dicht, winkeliers sluiten hun deuren en bedrijven vestigen zich elders. Bevolkingskrimp heeft daarmee drastische gevolgen voor lokale economieën en gemeenschappen. Dat stelt lokale bestuurders voor de nodige problemen. Hou houden ze hun gemeenten leefbaar? Samenwerking is een eerste vereiste, zo blijkt uit diverse onderzoeken.
Krimp vraagt om andere aanbesteding
Omdat grote delen van het platteland leeglopen vanwege demografische krimp, moeten overheden beter gaan samenwerken om hun publieke werken, zoals wegen en scholen, goed aan te besteden. Dat zegt Arno van der Vlist, hoogleraar vastgoedontwikkeling aan de Rijksuniversiteit Groningen.
De huidige werkwijze, waarbij overheden zonder regionale afstemming inkopen op basis van de laagste prijs, voldoet niet meer. Er is weinig afstemming in aanbestedingen door gemeenten, provincies en het Rijk. Soms concurreren overheden met elkaar om het verwerven van bouwcapaciteit. Het gevolg is dat de ene bouwer op project A inschrijft en de andere op project B. Dat heeft een prijsopdrijvend effect. Tegelijkertijd moeten overheden in krimpgebieden afspraken maken over de planning en locaties van nieuwe voorzieningen.
Krimp is een Europees probleem, dat volgens Van der Vlist radicale gevolgen heeft voor de manier waarop publieke werken moeten worden aanbesteed. De EU-landen geven jaarlijks rond de zeshonderd miljard euro uit aan publieke werken. Het is erg ingewikkeld voor de verantwoordelijke overheden om investeringen in krimpgebieden evenredig aan de krimp terug te schroeven. Van der Vlist: ‘Je kunt nu eenmaal geen goedkope brug bouwen, omdat er maar een paar auto’s overheen hoeven. Als in een dunbevolkt gebied een brug moet komen, is hij dus relatief duur voor de belastingbetaler.’
Heel Europa laat een concentratie van de bevolking zien, een trek naar de grote steden. Daarnaast is het volgens de hoogleraar niet meer vanzelfsprekend dat de infrastructuur door de overheid wordt gefinancierd, want die krijgt daar relatief weinig voor terug. Publieke werken worden eigenlijk betaald door de bewoners van de stedelijke centra. Maar tegelijkertijd zijn dit soort projecten een belangrijke pijler onder de economie. Ze zijn in de toekomst een van de belangrijkste voorwaarden voor duurzame economische groei en spelen een essentiële rol in de sociale cohesie binnen Europa.
Kwaliteit van leven
Er is dan ook meer aan de hand en overheden moeten bij het aanbesteden niet alleen kijken naar de laagste prijs, maar naar de beste prijs voor de samenleving. ‘Publieke werken zijn belangrijk voor de kwaliteit van leven, het geluk van burgers en het vermogen om deze factoren te beïnvloeden’, aldus Van der Vlist. Veel overheden letten alleen op de prijs: de aannemer met de laagste bieding mag het werk realiseren. De prijs is echter maar één kant van de medaille; overheden zouden ook andere criteria moeten meewegen.
Als voorbeeld noemt de hoogleraar Groningen Seaports, dat bij een recente aanbesteding niet inzet op de laagste prijs, maar op kwaliteit. Het havenschap weegt ook mee dat de toekomstige aannemer personeel uit de regio in dienst moet nemen. Een ander voorbeeld is Schotland, waar werklozen moeten worden ingezet voor de bouw van een project. Van der Vlist: ‘Op die manier leidt zo’n project tot een broodnodige oppepper van de regionale economie.’
Bij aanbestedingen zou de overheid bovendien milieueisen kunnen stellen. EMVI (de economisch meest voordelige inschrijving) biedt daartoe mogelijkheden. Daarbij wordt niet alleen naar de prijs gekeken, maar eveneens veel waarde gehecht aan criteria als publieksgerichtheid, duurzaamheid en projectbeheersing. Volgens Van der Vlist wijst de praktijk uit dat veel overheden worstelen met een goede invulling van dit model.
Extra kosten
De vraag hoeveel extra kosten de duurzaamheidscriteria (economische, sociale en milieueisen) met zich mee brengen in vergelijking met aanbesteding ten opzichte van de laagste prijs, vergt nader onderzoek. Van der Vlist: ‘Het is zelfs nog maar de vraag of duurzaamheidscriteria de kosten opdrijven. Meer uitgeven aan openbare werken, maar daarmee besparen op maatschappelijke of welzijnsuitgaven, kan uiteindelijk voordeliger zijn.’
KADER 1
VNG: één ‘krimpminister’
De urgentie van de krimpproblematiek duldt geen verdere vertraging en vereist een beleidsmatig en financieel coördinerende minister. De coördinatie moet bij één eerstverantwoordelijke minister komen te liggen. Nu is het nog te veel een sectoraal dossier. Dat staat in de factsheet Bevolkingsdaling, die de VNG heeft opgesteld voor de komende verkiezingen. Dat deed de VNG overigens voor in totaal tien belangrijke ontwikkelingen waar gemeenten voor staan. De VNG vraagt het kabinet in het kader van de krimpproblematiek rond het onderdeel ‘wonen en ruimte’ de financiële problemen en belemmerende wetgeving bij met name de woningcorporaties aan te pakken. De arbeidsmarkt dient te worden gestimuleerd door het wegnemen van de huidige opeenstapeling aan maatregelen, die onevenredig negatief uitpakt. De bereikbaarheid en mobiliteit moeten worden bevorderd door het beperken van de korting op het reguliere vervoer en het uitbreiden van het doelgroepenvervoer.
Zie ook: http://bit.ly/L0sEXf
KADER 2
Samenwerking leidt tot vitaliteit
Overheden moeten niet alleen met elkaar samenwerken om de gevolgen van een krimpende bevolking op te vangen. Gemeenten hebben ook de burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven nodig om de krimpregio’s leefbaar en vitaal te houden. Dat vraagt om nieuwe allianties, ofwel maatschappelijke innovatie. Dat staat in de eerder verschenen handreiking Ondernemend met Krimp, die Berenschot opstelde in opdracht van het ministerie van EZ, het tegenwoordige ministerie van EL&I.
Uit het onderzoek dat aan de handleiding vooraf ging, is duidelijk geworden dat het bij die allianties vooral gaat om de sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals het overeind houden van de voorzieningen. Daar is een zekere economische vitaliteit voor nodig Dit soort vragen zijn in krimpregio’s aan de orde van de dag. Maar volgens de onderzoekers van Berenschot zijn deze vragen, in een tijd van bezuinigingen en een terugtredende overheid, ook steeds belangrijker voor andere regio’s en gemeenten.
Ondernemend met Krimp laat onder meer zien welke initiatieven al zijn ondernomen om bedrijvigheid stimuleren. Demografische krimp betekent niet automatisch economische krimp; met minder mensen kan de regionale economie nog steeds floreren en innovatief zijn. Vaak is het niet de bedrijvigheid die als eerste wordt getroffen in een krimpregio. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld worden betrokken bij het in stand houden van voorzieningen. De onderzoekers noemen als voorbeeld supermarkten en vakantieparken die zich ontfermen over de openbare zwembaden. Bedrijvigheid en ondernemerschap kunnen ondanks en soms zelfs dankzij krimp ontstaan. Bijvoorbeeld door in te spelen op de groeiende zorgeconomie door het toenemend aantal ouderen.
Uit het onderzoek in de krimpregio’s Noordoost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Parkstad Limburg blijkt dat er ook in krimpregio’s kansen voor economische ontwikkeling zijn. Veel van de initiatieven hebben betrekking op het versterken van de economische structuur. Daarnaast worden op
regionaal niveau initiatieven ontwikkeld om de economie te verbreden.
Juist in krimpgebieden zijn gemeenten bereid tot regionale, intergemeentelijke samenwerking en afstemming. Berenschot concludeert dat samenwerken essentieel is en de belangrijkste randvoorwaarde voor succes. Het vereist politieke moed om posities los te durven laten en risico’s te nemen. Voor gemeenten en andere overheden is een regisserende taak weggelegd om allianties en regionale afstemming tot stand te brengen. Dit gaat gemakkelijker wanneer het opdrachtgeverschap van het initiatief op bestuurlijk niveau ligt.
http://bit.ly/bwFkpH
Vindplaats: VNG Magazine, nr. 13, 22 juni 2012, pagina 18.
Werkorganisate Duivenvoorde (Voorschoten en Wassenaar)
Senior BeleidsadviseurGemeente Woerden
HBO Afstudeerstage Handhaving Bedrijfskunde Management, Economie en Recht (MER) - Gemeente Zaanstad
© 2010 - 2013, VNG Magazine
Reacties
Laat een reactie achter