Auteur: Leo Mudde - 24/06/2011
Gemeenten nemen de zorg voor de jeugd op zich. Slagen zij, waar anderen faalden? Bestuurders staan te trappelen om aan de slag te gaan en de wijken ertoe te bewegen, zich weer om de eigen jeugd te bekommeren. Maar gemakkelijk zal het niet gaan.
Het is niet gering, wat in het Bestuursakkoord staat: de uitvoering van de gehele zorg voor kinderen, jongeren en hun opvoeders wordt de verantwoordelijkheid van gemeenten. Zullen gemeenten slagen waar provincies faalden? Kunnen zij de bureaucratie terugdringen, wachtlijsten voorkomen en langs elkaar heen werkende professionals met elkaar in gesprek brengen? En, vooral, kunnen zij de groeiende vraag naar zorg indammen, indachtig de boodschap van pedagoog Micha de Winter? Hij beklemtoonde op het VNG Jaarcongres nog eens dat de jeugd door de jaren heen nauwelijks verandert en zeker niet problematischer wordt, en dat het daarom een raadsel is waarom de vraag naar jeugdzorg zo sterk toeneemt.
Acht van de tien bestuurders zeiden in een reactie daarop van mening te zijn, dat een beter gemeentelijk beleid leidt tot een minder groot beroep op de jeugdzorg. Aan hen zal het dus niet liggen. Maar de praktijk kon wel eens heel weerbarstig blijken. Wetten staan straks weliswaar niet meer in de weg, want er komt een nieuw wettelijk kader met oog voor zowel de gemeentelijke beleidsvrijheid als voor een gegarandeerde ondersteuning van jongeren en opvoeders die daarom vragen. Maar tussen de dromen en daden van de lokale bestuurders staan nog wel de nodige praktische problemen die moeten worden opgelost.
Nieuwe structuur
Het staat ook met zoveel woorden in het Bestuursakkoord: het gaat niet alleen om het verleggen van de verantwoordelijkheid, het gaat vooral óók om een compleet nieuwe structuur, een ‘inhoudelijk fundament’ van de ondersteuning en zorg, ingebed in de sociale context met ‘waar nodig’ een integrale aanpak van de problematiek.
Bestuurders die al een paar jaar ervaring hebben met lokaal beleid, zullen bij het lezen van dit soort termen niet met de ogen knipperen. Die ‘sociale context’, zeg maar het betrekken van familie, buren, de school en de buurt bij de zorg, staat ook centraal bij de uitvoering van de Wmo. Net als bij de Wmo gaat het in de jeugdzorg ook om tijdige signalering en er met z’n allen (‘collectief’) voor zorgen dat dingen niet van kwaad tot erger worden. En een ‘integrale aanpak’ is ook niets nieuws, het is een standaardformulering in veel beleidsnotities en iedere ambtenaar en wethouder kan daar wel een invulling aan geven. Het betekent wel dat instanties als onderwijs, kinderopvang, jongerenwerk en schoolmaatschappelijk werk met elkaar in gesprek moeten gaan en blijven. Daar zou wel eens de echte ‘uitdaging’ kunnen liggen waarover ook het Bestuursakkoord spreekt: het wordt een ‘uitdaging’ aansluiting te zoeken bij de mogelijkheden en de kracht van jongeren en hun opvoeders en deze te helpen versterken. Daar is, aldus het Bestuursakkoord, een ‘andere werkwijze van alle betrokken partijen’ voor nodig.
Portretten
Zaanstad loopt met drie projecten vooruit op de overgang van de jeugdzorg in de periode 2014-2016. ‘Zo willen wij een goed beeld krijgen van het veld en van de cliënt’, zegt wethouder Corrie Noom. ‘Dat doen we onder andere door middel van werkbezoeken, die worden voor de zomervakantie nog afgerond. We maken portretten van jongeren en hun omgeving, een 'startfoto'. Die portretten zijn de basis voor een visie op de toekomst van de jeugdzorg.’
Zaanstad doet ook mee in het project Allemaal opvoeders van het Nederlands Jeugdinstituut, dat beoogt de pedagogische civil society te versterken.
Gemeenten zijn nu al verantwoordelijk voor preventieve zorg, bijvoorbeeld op scholen en consultatiebureaus, en daar liggen kansen. Zij moeten er nu voor gaan zorgen dat die preventie goed is georganiseerd en aansluit bij de rest van de jeugdzorg. Gemeenten kunnen dat niet alléén, zeker de kleinere gemeenten waar het aantal ‘zware zorggevallen’ klein is moeten niet gaan proberen het wiel uit te vinden of halve oplossingen te verzinnen. Zoals ze ook bij het inkopen van zorgtrajecten zullen moeten samenwerken met andere gemeenten, zullen ze dat ook op andere terreinen moeten doen, bijvoorbeeld door kennis te delen en beleid op elkaar te laten aansluiten. Want uiteindelijk gaat het niet om de gemeentelijke autonomie, maar om de zorg voor kinderen en jongeren.
Ketenregie
Hoe gemeenten kunnen proberen te voorkomen dat de zorg vastloopt in een ondoorzichtig woud van goedbedoelende, maar langs elkaar werkende instellingen en professionals, probeerde Enschede onlangs te schetsen. Enschede is de fase voorbij waarin alles draaide om ‘ketenregie’, de toverformule waarmee gemeenten complexe maatschappelijke problemen plegen te lijf te gaan. Ketenregie is in de kern prachtig, maar de kosten voor overleg zijn hoog en burgers hebben nog altijd met veel instanties en hulpverleners te maken. Bovendien hebben hulpverleners en casemanagers doorgaans onvoldoende mandaat uit de eigen organisatie en is er veel oriëntatie op het proces, maar niet op het perspectief van de burger. De ‘bureaucratische reflex’ van gemeenten is: samenwerken. Maar het woud van professionals blijft in stand, het bos blijft even ondoorzichtig. Het systeem is, kortom, inefficiënt en ineffectief - en daar is de gemeente voor verantwoordelijk.
In een masterclass over wijkcoaches presenteerde Enschede de pilot wijkaanpak jeugdzorg. Een van de uitgangspunten daarbij is: terug naar de eenvoud - zo min mogelijk bureaucratie, één plan en één aanpak per (multiprobleem)gezin, en ‘goede dingen’ in plaats van ‘dingen goed doen’. Belangrijkste actor: de professional, die maximale handelingsruimte moet krijgen. Een centrale rol is weggelegd voor de wijkcoach, die in Enschede wordt gezien als een ‘sociale huisarts’ bij wie veel problemen samenkomen - waaronder die in de jeugdzorg.
Netwerkorganisatie
Ook Zaanstad werkt wijkgericht. Wethouder Noom: ‘Wij willen het Centrum voor Jeugd en Gezin, bij ons overigens het Centrum Jong genoemd, doorontwikkelen als netwerkorganisatie in de wijk.’
Amersfoort werkt evenals Enschede volgens het ‘één gezin, één plan’-principe. Wethouder Menno Tigelaar: ‘We hebben al een aantal jaren ervaring met onze pilot Wrap Around Care. Die pilot was succesvol en die zetten we nu om in concreet beleid. Daar is wel een cultuurverandering voor nodig, bij de gemeente maar ook bij de organisaties die zorg aanbieden.’
Tigelaar meent dat gemeenten het verschil kunnen maken. ‘Zij hebben kennis van de situatie, kennen de problemen in de wijken en zijn bekend met het onderwijsveld. Maar gemeenten kunnen het niet alleen, er moet regionaal worden samengewerkt. Samenwerking van kleine gemeenten met een grotere centrumgemeente kan voordelig zijn, daar valt efficiencywinst te halen en er kan veel kennis en ervaring worden uitgewisseld.’
Vindplaats: VNG Magazine 13, 24 juni 2011, pagina 14
Gemeente Alphen aan den Rijn
CommunicatieadviseurGemeente Soest
TeammanagerGemeente Overbetuwe
© 2010 - 2012, VNG Magazine
Reacties
Laat een reactie achter